Citadel van Dinant

De citadel van Dinant is een citadel in de Belgische stad Dinant. De citadel is gebouwd vlak bij een rots, vlak bij het stadscentrum, 100 meter hoger dan het wateroppervlak van de Maas. In de citadel is sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog een historisch en wapenmuseum te bezichtigen. De toegang tot de citadel wordt onder meer verzekerd door een kabelbaantje.
Het eerste bouwwerk op die locatie dateert van 1051, toen gebouwd in opdracht van prins-bisschop Dietwin van Luik. De stad en citadel werden in 1466 tijdens de Luikse Oorlogen verwoest door Karel de Stoute. Prins-bisschop van Luik Everhard van der Marck breidde in 1530 de citadel bij de herstelling grondig uit, onder meer met een slottoren en een ronde halve toren. Dit bood in de citadel plaats aan 500 soldaten. In 1675 bezetten de Fransen, onder aanvoerder en maarschalk van Frankrijk François de Créquy de stad en gebruikten de citadel als verdedigingsbasis. De citadel werd in 1703 opgeblazen bij de aftocht van de Franse troepen. Krachtens het verdrag van Utrecht van 1713 kwam de locatie terug toe aan de bisschop van Luik. Het laatste bouwwerk werd gebouwd van 1818 tot 1821, uit de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Tot de Belgische Revolutie was de citadel de ligplaats van een Nederlands garnizoen. In de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914, vonden er hevige gevechten plaats tussen Duitse en Franse soldaten, in het heden gebruiken we deze citadel om deze tijd te herdenken.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

De Citadel van Dinant.

Foto Sjef Dirks.

Duitse gruweldaden en de verwoesting van Dinant Reportage van L. Mokveld – correspondent van De Tijd

Augustus 1914

Avonturen prikkelen tot steeds meer gewaagde ondernemingen en men wil immer meer sensatie. Die zucht dreef me ook tot een afspraak, die ik met den heer Tervooren, redacteur van ‘Het Leven’ maakte, om te trachten een autotocht tot aan de Fransche grenzen voort te zetten.
In den vroegen morgen van den 9den September reden we vanuit Maastricht weg, met een kloeken jongen als chauffeur. Leuven vonden we betrekkelijk rustig, schoon er zich nog verschrikkelijke tooneelen afspeelden met het zoeken naar lijken, die op verschillende plaatsen nog in de kelders gevonden werden. Voor het eerst zag ik dien dag de Duitsche matrozen en zeesoldaten in België, zelfs een admiraal en eenige officieren.
De verschijning van de marine leverde in die dagen in de bladen veel stof tot gissingen; later is gebleken, dat ze bij den aanval op Antwerpen gebruikt moesten worden en daarna tot taak hadden de zeekust te bezetten. In Brussel trof ik eveneens matrozen aan, doch overigens was daar nog weinig militair vertoon. In de stad heerschte een zekere angstige stilte en de café's waren bijna niet bezocht. De Brusselaars verborgen hunne patriottische gevoelens niet en bijna uit elk huis wapperde de Belgische vlag, wat vooral aan de krachtige houding van burgemeester Max te danken was.
Brussel had uiterlijk niet van den oorlog geleden; geen huis was beschadigd en niemand nog gedood. Ook aan levensmiddelen was geen gebrek, wat b.v. wel blijkt uit het feit, dat ik in ‘Metropôle’, een der grootste restaurants, voor brood, rosbeef en piccalilli slechts 75 centimes betaalde.
Op den weg Brussel-Charleroi ontmoetten we ook weinig Duitschers en troffen eene bezetting alleen aan in het stadje Hal. Op deze geheele route was weinig gebrand, maar des te meer geroofd en geplunderd. Bij Brussel leidde een vrouwtje ons haar woning rond om de totale vernieling te toonen. Kleine meubels werden veelal meegenomen, terwijl ze kachels, fornuizen en kasten stuk sloegen. Het vrouwtje zelf was ergerlijk aan het gezicht mishandeld, omdat ze bij de nadering der Duitschers in den kelder gekropen was, waar ze met geweerkolven werd uitgeslagen. Vele andere vrouwen ondergingen eenzelfde lot.
We komen aan Jumet, een voorstad van Charleroi, een flinke plaats met bloeiende industrie. De stad is geheel vernietigd. Bijna alle huizen zijn direct na den intocht der Duitschers uitgebrand, natuurlijk weer op beschuldiging, dat de bevolking geschoten had. Verscheidene inwoners werden gedood.
Als we dit beeld van ellende zijn doorgetrokken, rijden we Charleroi binnen, juist op het oogenblik, dat een veer van onzen auto springt en deze zijn verderen dienst weigert. Charleroi leek me nóg zwaarder beschadigd dan Namen. Volgens een in die dagen gegeven officieele opgave zouden er 165 huizen verbrand zijn, waaronder talrijke huizen van den schoonen Boulevard Audent, het Instituut St. Joseph, het klooster van de Soeurs de Namur en het aangrenzend eeuwenoud miraculeus kapelletje ‘St. Marie des Remparts’.
Er bleken waarschijnlijk meer dan 100 burgers gefusilleerd te zijn, terwijl nog velen in de kelders omkwamen. De gemeentebestuurders met verscheidene geestelijken waren aanvankelijk als gijzelaars gevangen genomen. Om hun vrijlating eischte men een waarborgsom van 10 millioen francs, doch na loven en bieden bleken ze het voor 1,5 millioen ook wel te willen doen, welke som door verschillende banken der stad werd bijeengebracht.
Evenals te Leuven en andere plaatsen hebben de Duitschers zich te Charleroi aan plunder- en roofpartijen overgegeven, in verband waarmee wel verklaard zal moeten worden, waarom ook hier juist de meest aanzienlijke huizen weer vernield zijn. Bovendien zijn er vele gruwelijke gevallen van verkrachting voorgekomen, evenals in Dinant, over welke plaats straks meer.
In een café, waarde kastelein me onder tranen z'n nood klaagde, heb ik zelf een papier gelezen, waarop ze onbeschaamd genoeg geweest waren neer te schrijven, dat ze onder bepaalde omstandigheden, die ze nader aanduidden en terwijl de vader van het gezin gevangen was gezet, goed geslapen hadden.
Charleroi was den 22en Augustus genomen. Op den 21en 's avonds was een kleine patrouille de stad binnengekomen. Van deze patrouille ontkwam niemand, doch den 22en ’s morgens om 7 uur trok een groote macht Duitschers binnen en begon te branden en te fusilleeren.
Op den dag van m'n verblijf te Charleroi heerschte tegen 7 uur 's avonds een groote drukte rond het station, waar verschillende treinen uit de richting van Maubeuge aankwamen. Een dier treinen was geheel gevuld met gevangen genomen [Belgische] officieren. Een andere vervoerde uitsluitend gewonde Duitschers, die op lichte draagbaren gelegd waren en zoo over straat naar de ziekenhuizen in Charleroi werden vervoerd.
Velen hadden schrikkelijke kwetsuren en hielden met krampachtige bewegingen de handen op de gewonde lichaamsdeelen, anderen lagen stil met de doodskleur op het gelaat. Maubeuge moet aan de Duitschers ontzaglijke offers gekost hebben, want talrijke ongelukkige gekwetsten bleken in de stad niet ondergebracht te kunnen worden en moesten met den trein nog verderop gevoerd worden, naar Namen of Brussel.
Duitsche officieren vertelden me, dat Maubeuge direct na de overgave op verschillende punten in brand gestoken was, omdat burgers... enz. De lezer kan nu zelf wel invullen.
Toen ik zoo enkele inlichtingen in de stad verkregen had en m'n collega van ‘Het Leven’ een aantal photo's had gemaakt, begonnen we eens aan logies en onzen kapotten auto te denken.
Het logies kregen we, maar ‘s nachts werden we door soldaten bewaakt, die op de gang heen en weer liepen omdat in het hotel ook officieren logeerden. De prompt regelmatige voetstappen van de schildwachten verhinderden ons natuurlijk een oog dicht te doen, maar gelukkig bleken ze met een paar kleine leugentjes en goede Hollandsche sigaren wel genegen ons weg te laten gaan, waarvan we gebruik maakten om met een smid in een soort garage onzen auto te gaan repareeren. We stroopten onze mouwen op en geholpen door de technische aanwijzingen van den smid, gelukte het ons met zware ijzeren klammen en schroeven de gesprongen veer weer wat bijeen te halen. In het hotel konden we alvorens te vertrekken nog even gaan ‘ontbijten’.
Daarvoor werd ons - 't was in een eerste klas hotel - zoo iets als koffie opgediend, zonder, melk of suiker en twee vliesjes brood, hard als plankjes en zwart als schoensmeer. Ik rammelde van den honger, en daar in heel Charleroi niets anders te krijgen was, trachtte ik zoo goed en kwaad als het ging mijn plankjes naar binnen te werken, wat met veel zuchten, kauwen en geeuwen dan toch ging.
Het zoete harde goedje viel me echter maar slecht op de maag en ik was dan ook al beroerd, toen we om zes uur 's morgens in den auto stapten om weg te rijden in de richting Dinant. Den grooten weg konden we niet geheel volgen, want 't was per proclamatie verboden om zich verder dan 15 km. buiten de stad te bewegen. We zouden dus onherroepelijk worden tegengehouden. Eerst rijden we nog door de voorstad Montigny sur Sambre, die geheel het lot van Jumet gedeeld heeft en ook in vlammen is opgegaan.
Buiten deze stad [Charleroi] rijden we in de richting Chatelet en vinden er een uitgestrekt slagveld. Er moet hier vreeselijk gevochten zijn, want het aantal dooden, dat er begraven ligt, is enorm. Over een groote oppervlakte bevinden zich talrijke verhoogingen, bestrooid met ongebluschte kalk en met kruisen beplant. Daarop staat geschreven, hoeveel dapperen er begraven liggen.
Zoo las ik b.v.: ‘Hier ruhen 10 Soldaten franz. I. R. 36. gef. 22.8. - R. I. P:' ‘Hier ruhen 23 Soldaten der Deutschen I.R. 78 und 91. gef. 22.8.14. R. I. P.' ‘Hier ruhen 7 offiz. der Deutschen I.R. gef. 22.8.14. R.I.P.’ ‘Hier ruhen 140 Soldaten franz. I.R. 36. gef. 22.8. R.I.P.’ En zoo waren er nog zeer vele. Deze noteerde ik alleen, omdat ze vlak langs den weg lagen, doch talrijke met kruisen beplante witte hoopjes lagen verderop.
De dorpen Gougnies en Biesmes zijn eveneens verwoest: van het eerste is zelfs geen huis onbeschadigd gebleven. In het stadje Mettet is echter niets gebeurd. Er wordt ons daar verboden verder te gaan, omdat we ons reeds meer dan 15 KM. van Charleroi verwijderd hebben. Dit verbod belet ons dus den hoofdweg te houden, maar dan nemen we binnenwegen, die ons weldra in het Ardennengebergte voeren, waar onze auto zigzagsgewijze doorsnort.
Na geruimen tijd komen we eindelijk weer op den grooten weg Namen - Dinant bij Anhec uit. Hier vertoonen zich dadelijk weer oorlogsbeelden in den vorm van verwoestingen. Bij Houx is de spoorbrug over de Maas vernield, die zoo schilderachtig aan den voet van een hooge rots gelegen was. Bouvignes, een plaatsje vóór Dinant, heeft verschrikkelijk van het bombardement op en van die plaats geleden. Boomen zijn door granaten versplinterd, de kerk is op dezelfde wijze bijna geheel vernield en twee huizen, welke aan den grooten weg staan, zijn doorzeefd van kogels en ook door enkele granaten getroffen. Geen huis heb ik op het geheele oorlogsterrein gezien, waarin zóóveel kogels gedrongen waren: de deuren leken wel kippengaas. In deze huizen hadden Franschen zich met mitrailleuses opgesteld en tot het uiterste verdedigd.
Geen dezer dapperen is er levend uitgekomen. Mijn collega maakte verschillende photo's van deze wondere plek, onderwijl ik kogels, stukken van granaten enz. verzamelde. We zijn nu niet ver meer van Dinant af, waarover ons reeds zulke schrikkelijke geruchten bereikten. Om den lezer even een beeld te geven van wat in Dinant gebeurd is, laat ik hier eenige mededeelingen volgen uit de verslagen over de schending van het volkenrecht, welke door de Belgische onderzoekingscommissie zijn opgemaakt en welke ik woord voor woord zou kunnen bevestigen, omdat ze geheel overeenstemmen met de inlichtingen, welke ik in Dinant zelve verkreeg.
De verwoesting was op 21, 22, 23, 24 en 25 Augustus geschied. Op 15 Augustus had er een hevig gevecht plaats tusschen de Fransche troepen die op den linker Maasoever waren opgesteld en de uit de Oostelijke richting gekomen Duitsche troepen. De Duitsche troepen werden verslagen, op de vlucht gejaagd en vervolgd door de Franschen, die den stroom overstaken. Dien dag had de stad weinig te lijden. Eenige huizen werden vernield door Duitsche houwitsers welke ongetwijfeld gericht waren op de Fransche regimenten die op den linkeroever werkzaam waren. Een tot het Roode Kruis behoorend inwoner van Dinant werd gedood door een Duitschen kogel, terwijl hij een gewonde opnam.
gewonde opnam. De volgende dagen bleef alles rustig. De Franschen hielden de omstreken bezet. Tusschen de beide legers kwam het niet tot één enkel gevecht en er gebeurde niets dat kon aangezien worden als zijnde een vijandelijke daad vanwege de bevolking. In de nabijheid van Dinant bevonden zich geene Duitsche troepen.
Vrijdag, 21 Augustus, rond 9 uur 's avonds, rukten Duitsche soldaten, van de baan op Ciney gekomen, langs de Rue St. Jacques de stad binnen. Zonder eenige aanleiding, begonnen zij in al de vensters te schieten, doodden een huiswaartskeerenden werkman, wondden een ander inwoner en verplichtten hem te roepen: ‘Leve de Keizer’. Aan een derden brachten zij bajonnetsteken in den buik toe.
Zij overrompelden de koffiehuizen, eischten alkohol op, bedronken zich èn vertrokken na verscheidene huizen te hebben in brand gestoken, en na deuren en vensters der andere woningen te hebben ingeslagen.
De met schrik en verbijstering geslagen bevolking ging schuil in de woningen.
Den 22en Augustus, een Zaterdag, was alles betrekkelijk rustig. Alle leven had opgehouden. Een gedeelte der bevolking, geleid door het instinct van zelfbehoud, vluchtte de naburige velden in. Anderen, meer aan hunne haardsteden gehecht, in goed vertrouwen, dat niets gebeurd was wat als vijandelijke daad kon worden aanzien, verscholen zich in hunne woningen.
Op Zondag 23 Augustus, te 6.30 uur 's morgens verjoegen de soldaten van het 108e linieregiment de geloovigen uit de kerk der Premonstatensen, scheidden de vrouwen van de mannen en schoten een vijftigtal dezer laatsten voor den kop. Tusschen 7 en 9 uur 's morgens werd huis voor huis door de soldaten geplunderd en in brand gestoken en de bewoners de straat opgejaagd: zij, die poogden te ontvluchten werden onmiddellijk gefusilleerd.
Rond 9 uur' s morgens drongen de soldaten de mannen, vrouwen en kinderen, die ze opgelicht hadden, met kolfslagen voor hen uit. Ze stuwden ze bijeen op de Place d'Armes, waar ze gevangen werden gehouden tot 6 uur' s avonds. Hunne bewakers vonden er genoegen in te herhalen, dat zij weldra zouden gefusilleerd worden.
Rond 6 uur scheidde een kapitein de mannen van de vrouwen en kinderen. De vrouwen werden achter een rij voetvolk geplaatst. De mannen werden langsheen een muur opgesteld. Een eerste rij moest op de knieën neerzitten, anderen bleven achter hen staan. Een peloton soldaten plaatste zich rechtover de groep. Tevergeefs smeekten de vrouwen genade af voor hunnen echtgenoot, hunne zonen en hunne broeders.
De officier beval te schieten. Hij had niet het minste onderzoek ingesteld, zelfs geen schijn van vonnis geveld.
Een twintigtal mannen waren enkel gewond en onder de lijken nedergevallen. Tot meer zekerheid schoten de soldaten nog eens in den hoop. Eenige bewoners van Dinant ontkwamen aan die tweevoudige fusillade. Ruim twee uur lang gebaarden ze dood te zijn, bleven onbeweeglijk onder de lijken liggen en toen de nacht was ingevallen, konden zij in het gebergte ontvluchten. Ter plaatse bleven 84 slachtoffers liggen, die in een naburigen tuin begraven werden. Verdere moorderijen nog den 23sten Augustus. Bewoners van de voorstad St. Pierre werden ontdekt door soldaten in de kelders eener brouwerij: zij werden ter plaatse gefusilleerd. Daags te voren hadden vele werklieden der zijdefabriek Himmer met hunne vrouwen en kinderen eene schuilplaatsgezocht in de kelders der fabriek, met enkele buren en familieleden van hun werkgever.
Rond 6 uur' s avonds, besloten de ongelukkigen, hunne schuilplaats te verlaten en kwamen zij, eene bevende groep, voorafgegaan door eene witte vlag, de straat op. Dadelijk werden ze door de soldaten vastgegrepen en mishandeld. Al de mannen werden gefusilleerd en met hen de heer Himmer, consul der Argentijnsche Republiek. Bijna al de mannen uit de voorstad Leffe werden in massa ter dood gebracht. In een andere stadswijk, werden twaalf burgers gedood in een kelder. In de Rue En He werd een verlamde in zijn leunstoel gefusilleerd en in de Rue d'Enfer werd een 14-jarig jongetje door een soldaat neergeveld.
In de voorstad Neffe, wordt het spoorwegviaduct het tooneel van een bloedige moorderij. Eene oude vrouwen al hare kinderen worden in een kelder gedood. Een 65-jarige grijsaard, zijne vrouw, zijn zoon en zijne dochter worden tegen een muur voor den kop geschoten. Andere bewoners van Neffe worden in eene boot tot bij den Rocher Bayard gebracht en er dan gefusilleerd; onder hen eene 83-jarige vrouw en haar echtgenoot.
Een zeker aantal mannen en vrouwen waren opgesloten op den koer der gevangenis. Rond 6 uur' s avonds werd door een op den berg geplaatste Duitsche mitrailleuse op hen geschoten. Eene oude vrouwen drie andere lieden werden gedood. Terwijl soldaten deze moorderijen pleegden, plunderden en verwoestten andere de woningen, stampten de brandkasten in of deden ze springen met dynamiet.
Zij drongen de Banque centrale de la Meuse binnen, namen den directeur, den heer Xavier Wasseige gevangen en sommeerden hem de brandkasten te openen. Daar hij weigerde, poogden zij de brandkasten open te breken, zonder echter erin te slagen. Dan namen zij den heer Wasseige en zijne beide oudste zonen mede naar de Place d'Armes, waar ze, met 120 hunner medeburgers, met de mitrailleuse werden gefusilleerd.
De drie jongste kinderen van den heer Wasseige werden door soldaten vastgehouden en verplicht het vermoorden van hun vader en hunne broeders bij te wonen. Nog werd ons medegedeeld dat een der zoons Wasseige een uur lang ter plaatse zieltogende bleef en niemand hem dorst ter hulp komen. Eens hun vandalen en rooverswerk volbracht, staken de soldaten de huizen in brand. Weldra was de stad één onmetelijke vuurkolk.
De vrouwen en kinderen waren al te zamen in een klooster gebracht. Zij werden er vier dagen lang gevangen gehouden. Den ongelukkigen bleef het lot hunner dierbaren onbekend. Zij verwachtten dat zij op hunne beurt gefusilleerd zouden worden. Rondom hen brandde de stad voort af. Den eersten dag mochten de kloosterlingen hun eenig ontoereikend voedsel toesteken. Weldra hadden zij geen ander voedsel meer dan wortelen en groene vruchten. Nog is uit het onderzoek gebleken, dat de Duitsche soldaten die op den rechteroever aan het vuur der Franschen waren blootgesteld, zich hier en daar als achter eene borstwering van burgers, vrouwen en kinderen verscholen hielden.
Kortom, de stad Dinant is vernield. Er waren 1.400 huizen; 200 slechts zijn recht gebleven. De fabrieken die aan de werkersbevolking het bestaan verschaften, werden stelselmatig vernietigd. Vele inwoners werden naar Duitschland opgezonden; zij worden nog aldaar gevangen gehouden. Het meerendeel is over gansch België verspreid. Zij, die in de stad gebleven zijn komen van honger om.
De Commissie bezit de lijst der slachtoffers. Die lijst bevat ongeveer 700 namen en zij is niet volledig. Onder de dooden zijn 73 vrouwen en 39 kinderen van beider kunne, van 6 maand tot 15 jaar oud. Dinant had 7.600 inwoners, waarvan het tiende gedeelte werd ter dood gebracht; geene familie is er die geene slachtoffers heeft te betreuren; sommige gezinnen zijn totaal verdwenen.
Toen we met onzen auto de ongelukkige stad binnenreden, had de bevolking, die aan de wreede moorderijen ontsnapt was, de plaats reeds verlaten. We reden tusschen puinhoopen en verlaten Fransche Roode Kruiswagens door naar de schipbrug, die de Duitschers naast den door de Belgen opgeblazen Maasovergang gelegd hadden. Hier werden we staande gehouden door Duitsche soldaten, die de schipbrug bewaakten.
In een café daar troffen we ook de enkele achtergebleven burgers. Die ongelukkigen hadden geen woning, geen geld en geen voedsel, konden wegens gebrek aan middelen ook niet verderop gaan en waren nu op de welwillendheid van de moordenaars hunner familieleden aangewezen. Tweemaal per dag mochten ze aan de Duitsche opslagplaatsen een stuk brood gaan halen tegen afgifte van een bon, die ze op de Kommandantur halen moesten. De Duitschers, dragers van zedelijkheid en kultur, moesten er immers voor waken, dat die stakkers zich niet overeten zouden!
Bij denzelfden commandant moesten wij nu ons paspoort doen afstempelen en m'n collega een verlof vragen om te photografeeren. Van dit laatste wilde de commandant niets weten, doch tenslotte gaf hij toch toestemming, nadat m'n collega hem zelf met z'n staf voor het bureau gekiekt had. Op ons paspoort kregen we het stempel ‘1 Landsturm Infanterie Bataillon Dresden’.
Dinant zag er vreeselijk uit, bestond niet meer. We trokken, te voet natuurlijk, de plaats door, waar eens de groote winkelstraten waren, maar men kon zelfs de plaats niet meer onderscheiden, waar de straatdoorgang geweest was. Geen straat is blijven staan en de weinige huizen, die gespaard gebleven zijn, liggen niet in de kom. Tegen een berghelling aan den linker Maasoever lagen twee reusachtige kloosters, welke tot hospitalen waren ingericht. Ze waren met geschut totaal vernield en als een bespotting van het wreede lot, wapperden er nog de Roode Kruis-vlaggen, die ongeschonden gebleven waren.
In de kom der gemeente zijn alle straten geheel met den grond gelijk gemaakt, terwijl ook vele groote gebouwen hetzelfde lot deelden. Zoo b.v. de hoofdkerk Notre Dame, het college van denzelfden naam, de Belle Vue, de kloosters enz. van de Frères et Soeurs de N. D., de kerken St. Nicolas en St. Pierre, en drie groote fabrieken, Oudin, Le Merinos en La Dinantaise, de Banque Centrale de la Meuse, het Stadhuis, het oude Paleis des Princes-Evêques met al zijn archieven, het prachtige post- en telegraafkantoor, de groote hotels de la Tête d'Or, des Postes, des Ardennes, Moderne, Terminus, de hotels la Citadelle, la Paix, la Gare enz. enz., het Institut Hydrothérapique, alle stichtingen van de Bon-Secours enz.
Het schoonste punt van Dinant is dáár, waar een mooie brug den overgang over de Maas verleent en waarachter zich de kerk van N.D. verheft. Deze kerk is weer onmiddellijk tegen een hooge steile rots aangebouwd, waar zich bovenop de citadel der stad bevindt. Welnu, de brug is opgeblazen, de kerk grootendeels door de Duitschers vernield en was de natuur niet krachtiger geweest dan hun log geweld, ze zouden ook die rots hebben neergehaald. ar die staat er dan nog als eenig overblijfsel van de vroegere glorie van Dinant. oegere glorie van Dinant.
M'n tochtgenoot wilde ook dit punt photografeeren, maar om het wat ‘aan te kleeden’ verzocht hij eenige soldaten op het plein vóór de kerk te gaan staan. Zij hadden een paar champagneflesschen op den buik hangen, welke ze op verzoek van m'n collega niet wilden afdoen. Ze moesten en zouden gekiekt worden met die flesschen op den buik! Toen trok m'n gezel het kultuur-beeld af: neergebrande huizen, een vernielde kerk en daarvóór... de grinnikende daders met den buik vooruit, die trotsch de ledige flesschen droeg.

Personalia Lambertus Mokveld (1890-1968)
L. Mokveld was een aankomend verslaggever toen hij, amper 24 jaar oud, in de augustusdagen van 1914 door zijn krant De Tijd werd uitgezonden naar het oorlogsgebied in België. Hij legde, aanvankelijk te voet, vele kilometers af om het verloop van de oorlog met eigen ogen te zien en er uit de eerste hand over te kunnen berichten. Uit zijn reportages, die later gebundeld werden onder de titel De overweldiging van België (Rotterdam, 1916), is hierboven het fragment geplaatst waarvan de oorspronkelijke titel luidde: De verwoesting van Dinant.
Vermeldenswaard is nog dat Mokveld een fel bestrijder was van de vaak door de Duitsers naar voren gebrachte visie dat hun brute optreden tegenover de burgerbevolking gerechtvaardigd was, omdat zij bij herhaling door ‘franc-tireurs’ werden beschoten. Na de Eerste Wereldoorlog werd Mokveld aanvankelijk hoofdredacteur van het Eindhovensch Dagblad. Enkele jaren later richtte hij een eigen persbureau op. Tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog was hij betrokken bij het verzet. Na de bevrijding pakte hij de journalistieke draad weer op en werd hoofdredacteur van De Gecombineerde, een functie die hij vervulde tot aan zijn dood op 78 jarige leeftijd.