Vluchtoord Nunspeet

Ook in Nunspeet was al op 9 oktober 1914, de dag van de val van Antwerpen, een vluchtelingencomité in het leven geroepen. Dit op initiatief van de burgemeester van de gemeente Ermelo, baron C. W. F. Mackay. Honderden Belgen vonden onderdak bij particulieren. Van deze periode is bekend dat veel teruggekeerde Belgen dankbrieven schreven om uiting te geven aan hun dankbaarheid jegens de inwoners van Nunspeet.

Ingang vluchtoord Nunspeet.

Archief Sjef Dirks.

Daar waar nu straten liggen met namen als Fabiolalaan en Leopoldlaan verrees eind november het vluchtelingenoord Nunspeet. Het kamp bestond uit vier verschillende dorpen, die te zamen 13.000 bewoners moesten opvangen. Elk dorp was voorzien van een crèche, een keuken, waszalen en drie of vier eetzalen. Het kamp had twee exclusieve afdelingen, namelijk een barak voor gestraften ("de Congo") en een barak "Jan Steen" voor prostituees.
Al voor het vluchtelingenoord in gebruik was, riep het kamp een schrikbeeld op bij de Belgen. Het door de minister van binnenlandse zaken, Cort van der Linden, gepropageerde beleid van gastvrijheid scheen plaats te hebben gemaakt vooreen "dwangbeleid".

Personeel van het naai-atelier.

Archief Sjef Dirks.

Dan onverwacht, op 16 november 1914, vernemen de Belgen dat zij in een kamp zullen worden ondergebracht. Deze regeling gold voor hen die niet naar België wilden terugkeren én armlastig waren of aangeduid werden als "minder- of ongewensten".

Kindercrèche van binnen.

Archief Sjef Dirks.

Het vluchtoord was gebouwd voor 13.000 personen, maar het aantal bewoners was nooit hoger dan 6.529. Het beoogde aantal bewoners werd dan ook bij lange na niet gehaald. Toen ook de pers ging schrijven over mogelijke misstanden in het kamp Nunspeet greep minister Cort van der Linden zelf in. Hij drong er bij regeringscommissaris Muller, bevelhebber van het kamp, op aan maatregelen te nemen om het schrikbeeld ietwat terug te dringen. Als militair kon Muller zich maar moeilijk vinden in het burgervluchtoord. Desalniettemin schijnt na deze ingreep de leefsituatie, door maatregelen als meer, bewegingsvrijheid en meer verwarmde lokalen, ietwat verbeterd te zijn. Maar gelukkig hebben de Belgen zich niet gevoeld. Kamp Nunspeet had een slechte naam en zou deze gedurende de oorlog houden.

Dorpskeuken.

Archief Sjef Dirks.

Die slechte naam kwam onder andere voort uit het relatief hoge sterftecijfer van het kamp. Gedurende de eerste tien maanden van het bestaan van het vluchtoord overleden 264 kinderen beneden de twaalf jaar. De kindersterfte in het kamp bedroeg 64,1 promille tegenover 14 promille in diezelfde periode voor de gemeente Ermelo. Vanaf 1916 liep het kindersterftecijfer wat terug, maar daarentegen steeg het sterftecijfer van de totale kampbevolking. In 1917 49,1 promille tegenover 25,45 promille voor de gemeente Ermelo.
Van de medische diensten werd wel degelijk gebruik gemaakt. Vanwaar dan dat hoge sterftecijfer? In de eerste plaats startte het kamp met uit Oldebroek overgeplaatste, besmette vluchtelingen. Bovendien waren de materiële en hygiënische voorzieningen in het kamp slecht. Tekenend is bij voorbeeld dat, hoewel de difterie al veel slachtoffers had gemaakt, het open riolensysteem nog lange tijd bleef bestaan. Ook moet worden vermeld dat regeringscommissaris Muller niets zag in de zo vaak door medici bepleite hulp van buitenaf. De derde mogelijke oorzaak is de onbegrijpelijke economische beslissing van minister Cort van der Linden het barakkenkamp Ede op te heffen. Dit had tot gevolg dat vele Belgen aan de epidemieën in Nunspeet werden blootgesteld.

De polikliniek.

Archief Sjef Dirks.

De slechte naam van het kamp Nunspeet kwam ook voort uit het voor ieder rijksvluchtoord bestaande probleem een werkbaar evenwicht te vinden tussen enerzijds het recht op bewegingsvrijheid en anderzijds het opleggen van beperkende maatregelen om deze grootschalige vorm van hulpverlening mogelijk te maken. Als negatieve ideologische erfenis van Nunspeet kwam daarbij dat het de taak overnam van militaire kampen, zoals Oldebroek en Veenhuizen.
Daarnaast vereiste het gedrag van de in Nunspeet bijeengebrachte "minder gewenschte" en zelfs "ongewenschte elementen" verhoogde waakzaamheid. Tegen het einde van de oorlog is voor deze vorm van opsluiting, door middel van een algemene maatregel van bestuur, pas een wettelijke basis gecreëerd. De opsluiting vond vaak vrij willekeurig plaats omdat een vaste omschrijving van wat minder en ongewenste elementen waren niet bestond.
Voor de opsluiting van vrouwen van „verdacht allooi" in de barak "Jan Steen" is zelfs nooit een wettelijke regeling tot stand gekomen. De opsluiting van de prostituees werd vaak door het bewakingspersoneel niet serieus genomen en het maakte vaak dankbaar gebruik van de aanwezigheid van de vrouwen.

Een kijkje in het tweede dorp.

Archief Sjef Dirks.

Concluderend kan worden gesteld dat, hoewel Nunspeet het vluchtelingenwerk aan het begin van WO I goed begonnen is, dat stukje geschiedenis met het vluchtoord Nunspeet met een zwarte bladzijde is afgesloten. In 1919 is het kamp van Nunspeet afgebroken.
Later is op deze locatie, nabij de Eperweg, een woonwijk gebouwd die in de volksmond Belgenkamp wordt genoemd. De straatnamen herinneren aan het toenmalige vluchtoord omdat zij zijn vernoemd naar leden van het Belgische koningshuis, zo is er de Albertlaan, Astridlaan, Fabiolalaan, Leopoldlaan en de Paolalaan.
Rondom Nunspeet is op een aantal boerderijen Belgisch muntgeld aangetroffen, dat vermoedelijk gebruikt is om er zuivelproducten en andere levensmiddelen te kopen.